|
Hoe archeologie?
Dit gedeelte vertelt meer over de hulpmiddelen die een archeoloog gebruikt. Daarna wordt meer verteld over het dateren van de vondsten.
Voor de archeoloog en de medewerkers is de opgraving zelf natuurlijk het leukst. Lekker in het veld staan, in de zomer in het zonnetje bruin worden, en graven naar de meest mooie fibulae, oudste scherven of kleinste grondsporen. Je bent natuurlijk dolblij als je aan het einde van de dag een paar mooie dingen hebt gevonden en weer een gaatje in de geschiedenis hebt gevuld. Tijdens de veldwerkperiode staan archeologen op de opgraving en proberen erachter te komen wat zich in de geschiedenis heeft afgespeeld. Hiervoor moeten ze diep de grond in. Dat doen ze natuurlijk niet door met hun handen als mollen de grond te verzetten. Archeologen hebben verschillende hulpmiddelen. Deze zijn...
Voor het graven zelf:
De schep, een troffel, een graafmachine (dit kunnen archeologen niet zelf, maar daar moeten mensen voor ingehuurd worden), kruiwagens, een grondboor, een metaaldetector.
Voor het tekenen van sporen en vondsten:
Potloden, tekenpapier en een fototoestel. De vondsten moeten namelijk zo goed mogelijk geregistreerd worden.
Voor het meten:
De stukken grond die je hebt opgegraven - vooral belangrijke vondsten - moeten opgemeten worden. Ook moet de plek opgemeten worden waar deze gevonden zijn. Dit is om het onderlinge verband aan te geven en om ervoor te zorgen dat archeologen later niet nutteloos bezig zijn als ze dat stukje voor de tweede keer opgraven. Hiervoor heb je een waterpas en meetlinten nodig.
Voor het opbergen van de vondsten:
Vondstzakken en vondstkaartjes.
Andere benodigdheden:
Andere mensen, die geen archeologen zijn. Bijvoorbeeld mensen die een graafmachine-bestuurders, geschiedkundigen, antropologen of architecten.
Een prik tegen ziekten. Door sommige bacteriën in de grond, waarmee archeologen (als ze heel diep graven) in aanraking kunnen komen, kan je ziek worden. Dit geldt helemaal als je een wondje hebt natuurlijk. Maar als je daartegen ingeënt bent, is er niets aan de hand.
Dateren
Als je spullen hebt opgegraven, wil je natuurlijk weten hoe oud de gevonden voorwerpen eigenlijk zijn. Je wilt weten of een bepaalde scherf of een klein stukje bot nu uit de prehistorie, de Romeinse tijd of de Middeleeuwen komt. Hier kan je op verschillende manieren achterkomen:

- Door te kijken naar de verschillende lagen. De grond is opgebouwd uit een aantal lagen. De mensen die het langst geleden hebben geleefd, hebben ook het eerste hun troep weggegooid. De laag die onderop ligt, zal dus het oudste zijn. Hoe hoger de lagen liggen, hoe jonger de vondsten zijn die daaruit komen. Wij leggen onze tuin toch ook aan boven op de huidige bewoningslaag? We graven ons terras ook niet in de grond. Als je dus een paar lagen boven op elkaar vindt, kun je er (bijna) zeker van zijn dat de onderste laag ouder is dan de bovenste, en het onderste eerder is ontstaan.
- Als je bijvoorbeeld een kuil of een hele villa wilt dateren, kijk je naar de vondsten die erin voorkomen. Als je de vondsten in de kuil kunt dateren, weet je hoe oud de kuil is. De kuil is namelijk niet dichtgegooid voordat de laatste vondst erin is gegooid. Als je bijvoorbeeld allemaal scherven uit 100 voor chr. in je kuil hebt liggen, en een paar botten uit 2 na chr., weet je zeker dat de kuil niet voor 2 na chr. is dichtgegooid.
- Typologie: Je kan sommige dingen dateren door naar de ontwikkeling van het materiaal. Over het algemeen kan je zeggen dat kopjes, potten en pannen steeds luxer en ingewikkelder worden.
- Dure technieken en ingewikkelde methodes.
- Kijken naar de opgravingen die al gedaan zijn en de vondsten die al gedateerd zijn en deze vergelijken met jouw vondstmateriaal.
|